Ga direct naar de hoofdinhoud

Gedrag

Filmpje voor opdracht gedrag:           Filmpje aapje

 

 

Oefening 1:                         Quiz gedrag

Filmp sleutelprikkel            Biobits 84 signalen en sleutelprikkels

Extra uitleg sleutelprikkel   Sleutelprikkel 

 

 Extra info:

Wat verstaan we onder gedrag

Gedrag

  • Is alles wat een dier (en mens) doet (alle waarneembare activiteiten).
    • Reactie op prikkels.
  • Wordt bepaald door een inwendige prikkel (= motivatie) en een uitwendige prikkel.
    Voorbeelden
    • Jachtgedrag
      • Honger (inwendige prikkel)
      • --> het dier gaat op zoek naar eten (gedrag);
      • --> het dier ziet of hoort een prooi (uitwendige prikkel);
      • --> het dier vangt de prooi en gaat eten (gedrag).
    • Voortplantingsgedrag
      • geslachtshormonen (inwendige prikkels) --> veroorzaken de voortplantingsdrang.
        • Testosteron bij het mannetje en oestrogeen bij het vrouwtje.
      • Het dier gaat op zoek naar een partner (gedrag).
      • Het dier ziet, ruikt, voelt een partner met het juiste uiterlijk (uitwendige prikkel).
      • Paring (gedrag).

Prikkels

  • Een prikkel is een verandering in de omgeving die je met een zintuig kan waarnemen.

  • Uitwendige prikkels:
    • komen uit de omgeving.
      Bijvoorbeeld temperatuur, licht, geluid
    • worden waargenomen door zintuigen.
      Voorbeelden
      • oor: prikkel geluid;
      • oog: prikkel licht;
      • neus: prikkel geur;
      • tong: prikkel smaak;
      • huid: prikkel aanraking (tast) en temperatuur.

  • Inwendige prikkels:
    Voorbeelden
    • Honger--> voedselzoekgedrag;
    • Dorst --> drinken;
    • Hormonen --> voortplantingsgedrag.

  • Sleutelprikkel
    • Uitwendige prikkel die één bepaald gedrag veroorzaakt.
      Voorbeelden
      • Rode buik van stekelbaarsmannetje:
        is sleutelprikkel voor andere mannetjes --> aanval.
      • Sperren van jonge vogels:
        is sleutelprikkel voor de ouders --> gaan de jongen voeren.
    • Supranormale prikkel
      • Extra sterke sleutelprikkel.
        • Hierop volgt ook een sterker gedrag.

Gedrag kan zijn:

  • erfelijk (aangeboren) of aangeleerd.
    Meestal gaat het om een combinatie.
    Voorbeeld
    • Vinken zingen een basisliedje als ze geïsoleerd (zonder contact met soortgenoten) opgegroeid zijn, de volledige zang leren ze van soortgenoten

 Leerprocessen:

 Inprenting

  • Het leren in een bepaalde gevoelige periode (als jong dier).
    Bijvoorbeeld het leren herkennen van de ouders.
    • kan niet meer worden afgeleerd.
  • Conditionering (africhting)
    • Van bestaande reflex wordt de prikkel veranderd.
    • Voorbeeld:
      • speekselreflex:
        • Oorspronkelijke prikkel is het zien of ruiken van voedsel.
        • Aangeleerd wordt het reageren op een andere prikkel, bijvoorbeeld geluid.
    • Nieuw gedrag kan ook aangeleerd worden door beloning of straf.
  • Imitatie (nadoen)
    • Leren door gedrag van soortgenoten na te doen.
  • Proefondervindelijk leren (leren door te proberen)
    • Uit ervaring leren wat wel en wat niet werkt.
      • "Door schade en schande wijs worden."
    • Alleen gedrag dat een beloning oplevert (bijvoorbeeld voedsel) wordt onthouden.
  • Inzicht
    • Het oplossen van een nieuw probleem door na te denken.
    • Zo kan dier zich goed aanpassen aan nieuwe onbekende omgeving

 

  Onderzoek doen

 Gedrag

  • kan onderverdeeld worden in verschillende handelingen (gedragselementen).
  • de verschillende handelingen die je ziet kun je beschrijven.
    • Lijst met beschrijvingen wordt ethogram genoemd.
  • Aantal handelingen kunnen (in een vaste volgorde) na elkaar komen.
    • Een bepaalde handeling kan leiden tot een volgende handeling.
      Voorbeeld
      • Voortplantingsgedrag van het stekelbaarsje
        • Mannetje ziet vrouwtje met dikke buik (sleutelprikkel).
        • Mannetje gaat zigzag dans uitvoeren (baltsgedrag).
          • Probeert vrouwtje naar het nest te lokken.
        • Als vrouwtje volgt toont hij haar de nestingang
        • Vrouwtje kruipt het nest in.
        • Mannetje siddert (trilt) tegen de staart van het vrouwtje.
          • Sleutelprikkel voor vrouwtje om eieren te gaan leggen.
        • Mannetje zwemt daarna zelf door het nest om de eieren te bevruchten.
        • Mannetje jaagt vrouwtje weg.
      • De verschillende handelingen die op elkaar volgen zijn dus:
        • zigzag dans uitvoeren;
        • nest tonen aan vrouwtje;
        • door het nest zwemmen (en de eieren bevruchten);
        • vrouwtje wegjagen.

 

 

Klik hier voor maken ethogram & protocol:      voorbeeld ethogram protocol maken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

l

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

l

Maak jouw eigen website met JouwWeb